Home Wie zijn we Wat doen we Bestuur Links Contact  
Geschiedenis
Actueel
Foto's
Ideebox
Verslagen
 
Geschiedenis van de gemeente Nieuwland
Rond 1200 wordt het zuidelijkste gedeelte van de ambachtsheerlijkheid Kethel tussen de Oude Dijk en de Schie, oorspronkelijk Drussatenland genoemd, bedijkt en daardoor ontstaat de Nieuwlandse Polder. In 1359 deed de heer van Kethel afstand van zijn gebied binnen de stad Schiedam.

Op grond van een akkoord dat de heer van Kethel met de stad Schiedam had gesloten, werd in 1698 een nieuw ambacht "Nieuwland, Kortland en 's-Graveland" (= Nieuwland c.a.) gevormd door afsplitsing van Kethel. Hierbij verwierf Schiedam deze nieuwe heerlijkheid in ruil voor het baljuwambt van Schiedam, dat door de zoon van de heer van Kethel zou worden vervuld. De stad Schiedam diende een ambachtsheer-titulair ofwel sterfman aan te stellen, die de heergewaden voldeed.

Het gerecht van Nieuwland, dat op 27 augustus 1698 voor het eerst werd benoemd, bestond uit één schout en vijf schepenen. Aangezien het ambt van secretaris van de Schiedamse weeskamer te weinig inkomsten opbracht, werd deze functie gecombineerd met het secretarisambt van de heerlijkheden Nieuwland, Mathenesse en Riviere. Sinds 1724 kwam hierbij ook het schoutambt van Nieuwland. Nieuwland had één ambachtsbewaarder, die met schout en schepenen de voor- en najaarsschouw verrichtte en bij het afhoren van de ambachtsrekening aanwezig was.

Als gevolg van de inval van de Franse legers legde de schout-secretaris van Nieuwland op 6 mei 1795 zijn funktie neer. De nieuwe schout kwam een jaar later in conflict met de stad Schiedam over de uitschrijving van verkiezingen voor een nieuw college van vijf schepenen. Nieuwland mocht zijn eigen bestuur, dat de municipaliteit werd genoemd, zelfstandig kiezen. Bij Keizerlijk Decreet werd Nieuwland in 1811 opgeheven.

Bij Koninklijk Besluit van 7 maart 1816 werd Nieuwland per 1 april 1817 een zelfstandige gemeente met als bestuur een schout, die tevens secretaris was, en een gemeenteraad van drie leden, waarvan er twee assessor (= later: wethouder) konden worden. Volgens het nieuwe reglement op het bestuur ten platte lande kreeg Nieuwland in 1825 een burgemeester, tevens gemeentesecretaris, en een gemeenteraad van zes leden, waaronder twee wethouders. Bij wet van 11 juli 1855 werd Nieuwland bij Kethel gevoegd. Per 1 januari 1868 werd de voormalige gemeente Nieuwland weer van Kethel afgescheiden en met Oud- en Nieuw-Mathenesse bij de gemeente Schiedam gevoegd.

Het grondgebied van de gemeente Nieuwland omvatte hetzelfde gebied als het voormalige ambacht, begrensd door de Oude Dijk, de Schie, de Schiedamse Noordvest, de Frankelandse Watering ten zuiden van en min of meer parallel aan de Vlaardingerdijk en de Poldervaart. Bij de opheffing telde het 369 inwoners, die zoals ook in Kethel, voor het merendeel in de veeteelt werkzaam waren. Daarnaast waren er twee branderijen, twee scheepstimmerwerven en een timmermanswinkel.

Schout (sedert 1825: burgemeester) van Nieuwland:

1698 - 1709    Maarten Kouwenhove de jonge
1709 - 1724    Pieter van den Heuvell
1724 - 1727    Ewout Juyst
1727 - 1730    Adriaan de Ruiter (substituut-schout)
1730 - 1741    Joan Hendrick van Bulderen
1742 - 1763    Maarten Penning Cornsz.
1763 - 1776    Joan le Roy
1776 - 1781    Jacob Morgan
1782 - 1787    Leonardus den Beer
1787 - 1795    Isaac Tromer
1795 - 1811    Jacobus van Waterschoot
1817 - 1843    Jacobus van Waterschoot van der Gracht
1844 - 1854    Laurentius Knappert
1854 - 1855    Bartholomeus van Pelt.

Tekst: Joop de Beer
Bron: Inleiding op de inventarissen van de gemeentelijke, kerkelijke en verenigingsarchieven van Kethel, Spaland en Nieuwland. /td>